1 september en de zorgenpoort
Eén september. De boekentassen zijn gevuld, de kinderen zijn binnen. Maar voor een zorgouder voelt de schoolpoort soms als een zorgenpoort. Over loslaten zonder achterom te kijken, brussen die alles weten, en de vraag die we te weinig stellen: en jij, ben je oké?
We zijn er geraakt. Eén september. De boekentassen zijn gevuld, de koekendoosjes zullen waarschijnlijk tegen het einde van de dag ergens verdwenen zijn en iemand heeft deze ochtend gegarandeerd geroepen dat zijn schoenen “raar zitten”, hoewel dat exact dezelfde schoenen zijn die vorige week nog perfect zaten toen ze werden gekocht.
Maar bon. Ze zijn binnen. Dus bij deze even een kleine check-in voor mijn mede-zorgouders aan de zorgenpoort. Ja, zorgenpoort. Geen typfout. Want soms voelt die schoolpoort voor een zorgouder nu eenmaal zo. Alsof je daar ’s morgens niet alleen je kind afgeeft, maar ook een hele hoop zorgen die je het liefst mee door die poort zou duwen. Hier. Alsjeblieft. Rugzak, drinkbus, koekendoos en een klein assortiment aan zorgen. Alles gelabeld. Veel succes ermee. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Een deel wandelt mee naar binnen met je kind. Een deel blijft bij jou. En een paar hardnekkige exemplaren lopen gezellig terug mee naar huis en zitten vijf minuten later naast je aan de koffie. De zorgenpoort dus. De plek waar je probeert los te laten, terwijl een deel van jou het liefst nog even door het hek zou piepen. Gewoon om te kijken. Heel even. Of alles oké is. Niet dat we dat doen natuurlijk. Wij zijn normale ouders. Min of meer.

Dus, Hoe is het met jou? En ik bedoel niet het antwoord dat je daar effectief geeft.“Ja goed hoor! Blij dat ze terug kunnen beginnen.” Nee nee. Ik bedoel: hoe is het écht met jou? Want vorige keer schreef ik over waarom september in een zorggezin zoveel meer is dan een nieuwe boekentas. En nu staan we hier dus. September. We hebben hem gevonden. Proficiat allemaal.
En ik weet niet hoe dat bij jullie zit, maar ik vind de eerste schooldag altijd een vreemd beest. Je bent blij dat ze terug naar school gaan. Je bent ook blij als ze terug thuis zijn. Je wilt dat ze zelfstandiger worden. Maar liefst wel onder permanent toezicht van iemand die exact weet wat jij weet. Je wilt niet “die mama” zijn. Maar je hebt wel al drie keer overwogen om nog één klein berichtje naar de juf te sturen. Niet lang hoor. Gewoon een kleine aanvulling, van ongeveer twee A4’tjes, met een bijlage.
En ergens is dat toch de essentie van zorgouder zijn aan de schoolpoort. Andere ouders geven hun kind af. Wij geven ook een stukje controle af. En dat is iets anders. Niet omdat we denken dat niemand het goed genoeg kan. Maar omdat wij jarenlang geleerd hebben dat details er soms wél toe doen. Dat je soms degene moet zijn die iets opmerkt. Die doorvraagt. Die zegt: “Nee, dit is niet gewoon moe.” Die nog eens belt. Die toch nog eens gaat kijken. En dan wordt er op 1 september ineens van je verwacht dat je je kind een kus geeft en zegt: “Veel plezier!” Alsof je niet zonet in je hoofd een volledige risicoanalyse hebt uitgevoerd tussen de parking en de schoolpoort.
Maar er is nog iemand waar ik vandaag aan dacht. De brussen. Want die beginnen óók opnieuw aan school. En die hebben soms een heel bijzonder talent ontwikkeld. Zij weten namelijk alles. Echt alles. Waar de drinkbus van hun broer staat. Waarom hij dat niet graag heeft. Wat hij bedoelt als hij dát gezicht trekt. Dat mama nog met de juf aan het praten is. Dat ze even moeten wachten. Dat hij hulp nodig heeft. Dat het vandaag misschien wat moeilijker gaat. Sommige brussen zijn zeven jaar oud en hebben situationeel bewustzijn waar een gemiddelde crisismanager jaloers op kan zijn. Handig? Absoluut. Een beetje confronterend? Ook. Want voor je het weet sta je aan de schoolpoort te zeggen: “Wil jij even bij hem blijven?” “Kan jij hem even helpen?” “Hou jij zijn boekentas even vast?” “Zeg jij even waar hij naartoe moet?” En dat zijn allemaal kleine dingen. Tot je beseft dat dat kind vandaag óók gewoon aan zijn eerste schooldag bezig is. Met een nieuwe klas. Een nieuwe plek. Misschien buikpijn. Misschien zenuwen. Misschien vooral heel dringend de behoefte om te weten naast wie ze mag zitten.

En toch zijn brussen soms al bezig met de temperatuur in de kamer te meten nog voor iemand gevraagd heeft of zij het zelf warm of koud hebben. Dat is iets waar ik mezelf regelmatig op betrap. Omdat het zo makkelijk gaat. Omdat zij het kunnen. Omdat zij het begrijpen. Omdat zij soms sneller doorhebben wat hun broer nodig heeft dan een volwassene die hem nog maar net kent. En vooral omdat zij vaak zelf zeggen: “Kom, ik doe het wel.” Dat is prachtig. Echt. Maar soms wil ik dat helemaal niet prachtig vinden. Soms wil ik denken: Laat dat kind toch gewoon bezig zijn met compleet nutteloze kinderproblemen. Met wie er vals speelde. Met waarom zij geen glittergom heeft en iemand anders wel. Met het immense onrecht dat iemand anders TWEE koekjes mee heeft. Met een vriendin die vandaag ineens met iemand anders speelde en daardoor uiteraard “nooit meer haar beste vriendin is”. Dát soort zorgen. Niet die van ons.
Want misschien is dat één van de moeilijkste dingen aan zorgouderschap: ervoor zorgen dat de zorg niet langzaam een gezinslid wordt dat overal mee aan tafel schuift. Dat ze niet alleen bepaalt waar wij naartoe gaan, hoe laat we vertrekken en wat haalbaar is, maar ook wie er automatisch rekening houdt, wie er wacht en wie er helpt. Je kunt dat niet volledig vermijden. En misschien hoeft dat ook niet. Onze kinderen leren daardoor dingen die je niet uit een werkboek kunt halen. Zorgzaamheid. Geduld. Aanvoelen. Liefhebben wanneer het ingewikkeld is. Maar ze mogen ook eens egoïstisch zijn. Onredelijk. Luid. Ambetant. Ze mogen eens zeggen: “Ik wil nu niet helpen.” En eigenlijk zouden wij dan soms gewoon moeten antwoorden: “Oké.” Niet teleurgesteld kijken. Niet “allee, eventjes maar”. Gewoon oké. Ga maar. Ik heb het. En misschien is dat mijn voornemen voor dit schooljaar. Niet nóg beter plannen. Niet nóg meer anticiperen. Niet nóg sneller voelen wat iedereen nodig heeft. Daar zijn we ondertussen kampioen in. Maar af en toe eens kijken naar degene waarvan ik automatisch denk: Die redt zich wel. En vragen: En jij? Hoe is het met jou? Wat heb jij nodig? Waar heb jij vandaag zin in?
En misschien moeten we dat trouwens ook eens bij onszelf doen. Dus, zorgouder aan die bewuste poort: De kinderen zijn binnen. Je mag vertrekken en proberen door te wandelen zonder nog eens achterom te kijken. Je mag je telefoon wegsteken. Je hoeft de school niet te bellen. Het is 8u45. Geef ze op zijn minst tot 9u00.
We zijn er weer aan begonnen. September. Succes hé. En stuur misschien ook eens naar die ene zorgoudervriend(in) waarvan je weet dat die vanmorgen ook met een klein hartje aan een zorgenpoort stond. Niet: “En? Hoe ging het?” Maar gewoon: “En jij? Ben je oké?”
Soms is dat genoeg.